Geen categorie

Het bloed van Christus

By 1 februari 2018maart 14th, 2019No Comments

Dat de katholieke kerk het zwaar heeft, heeft het grotendeels aan zichzelf te danken. Als je zo halsstarrig bent over bijvoorbeeld seksuele geaardheid, abortus of euthanasie, is het geen wonder dat parochianen de kerk verlaten. En als je hoort wat er zich in seminaries afspeelde, dan denk je: ik wil niks met die pastoors en dat instituut te maken hebben. En toch wil ik hier een lans breken voor de katholieke kerk.

Want als we naar onze geliefde wijn kijken, dan heeft de kerk heel veel goeds gedaan. Ik besef me dat heel goed, nu ik voor de vinologenopleiding in de wijngeschiedenis ben gedoken. De invloed van de kerk begint al in de vijfde eeuw, toen wijn als ‘bloed van Christus’ een belangrijke rol kreeg in de eredienst en op die manier voor het eerst enige bekendheid kreeg bij het gewone volk. In de eeuwen daarna hebben kloosterorden het grootste gedeelte van de wijngaarden beheerd, waren ze hoofdrolspelers in de wijnhandel en vergrootten zij de kennis over wijn. In de Bourgogne hebben monniken bijvoorbeeld gedetailleerd de bodemverschillen in kaart gebracht. Zij hebben daarmee aan de wieg gestaan van de onderverdeling in premier en grand cru’s die de Bourgogne ook vandaag de dag nog wereldfaam geven.

In de negentiende en twintigste eeuw is de rol van de kerk weliswaar duidelijk kleiner geworden in de wijnbouw en –handel, maar hebben hun herders, de pastoors, veel betekend voor de wijncultuur. Mijn eigen opa Harry was daar een voorbeeld van. Hij was een uitgetreden pastoor die, via zijn verhalen over zijn tijd als pastoor en de etiquette die hij uit die periode had meegenomen, onze familie kennis liet maken met wijn. De reizen die hij had gemaakt naar Rome hadden een religieus doel, maar waren net zo goed ook wijnreizen. Door zijn reisverhalen leerden wij over de wijnen van de Rijn, uit Piemonte (Barolo) en Toscane (Chianti). En tijdens familie etentjes keken we bij hem af hoe je de dranken moest opbouwen: van iets mousserends (al wou mijn opa ook wel beginnen met een biertje), via wijn, naar iets sterks (bij voorkeur cognac). Van zo’n wijnspijs opbouw kijken we tegenwoordig misschien niet op, maar onze familie had daar in de jaren tachtig nog geen kaas van gegeten. Zoals mijn opa Harry zijn er vele pastoors geweest die (samen met de burgemeesters en dokters natuurlijk) in de tweede helft van de twintigste eeuw Latijnse dranken en gebruiken onderdeel van het dagelijks leven hebben gemaakt van de jenever drinkende calvinistische Nederlanders.

Het blijkt maar weer, niks is zwart-wit in het leven, ook de kerk niet. Ja, ze verdient het om af en toe hard aangepakt te worden. Maar anderzijds moeten we ook haar verdiensten zien en benoemen. De kerk heeft het bloed van Christus in ons leven gebracht: zo mooi!

Ruben